De groene categorie heet Functies. Deze blokken leveren een berekende waarde of een voorwaarde. Ze verplaatsen geen sprite en bewaren een uitkomst niet vanzelf. Een waardeblok past in een invoerveld; een waar/onwaar-blok past in een voorwaarde.
Blokken in Functies
[getal] + [getal]
Geeft de som van de twee getallen terug. Het waardeblok verandert geen variabele: om de uitkomst te bewaren moet een variabeleopdracht de waarde gebruiken.
[getal] - [getal]
Trekt het tweede getal van het eerste af en geeft het verschil terug. De volgorde van de velden bepaalt de uitkomst.
[getal] * [getal]
Geeft het product van beide getallen terug. Het sterretje is de vermenigvuldiging; het blok plakt geen teksten aan elkaar.
[getal] / [deler]
Deelt het eerste getal door het tweede en geeft de uitkomst terug. De uitkomst kan een decimaal zijn. Een deler van 0 geeft geen gewone eindige uitkomst; controleer de deler als een verdere berekening een onbruikbare waarde oplevert.
willekeurig getal tussen [ondergrens] en [bovengrens]
Kiest een willekeurig getal tussen de twee grenzen. Met hele grenzen zijn de uitkomsten hele getallen en kunnen beide grenzen worden gekozen. Met een decimale grens kan een decimale uitkomst ontstaan. Omgekeerd ingevulde grenzen worden als hetzelfde bereik behandeld.
[waarde] > [waarde]
Geeft waar terug als de eerste waarde groter is dan de tweede, anders onwaar. Gelijke waarden zijn niet groter. Bruikbare getallen worden numeriek vergeleken; tekst wordt zonder onderscheid tussen hoofdletters en kleine letters vergeleken.
[waarde] < [waarde]
Geeft waar terug als de eerste waarde kleiner is dan de tweede. Dit is een voorwaarde voor bijvoorbeeld als of herhaal tot, geen opdracht om een getal kleiner te maken.
[waarde] = [waarde]
Controleert of de waarden gelijk zijn. Getal 12 en tekst met het getal 12 worden numeriek als gelijk behandeld. Bij tekst worden hoofdletters en kleine letters niet onderscheiden. Dit is een vergelijking, niet het instellen van een variabele.
[voorwaarde] en [voorwaarde]
Geeft alleen waar terug als beide voorwaarden waar zijn. Het blok combineert voorwaarden; het voert niet twee rijen opdrachten uit.
[voorwaarde] of [voorwaarde]
Geeft waar terug als ten minste een voorwaarde waar is. Ook als beide waar zijn is de uitkomst waar.
niet [voorwaarde]
Keert de voorwaarde om: waar wordt onwaar en onwaar wordt waar. Het blok verandert de onderliggende meting of variabele niet.
voeg [tekst] en [tekst] samen
Plakt de twee teksten direct aan elkaar en geeft de samengestelde tekst terug. Er wordt niet vanzelf een spatie toegevoegd. Voeg een benodigde spatie in een van de tekstvelden toe.
letter [positie] van [tekst]
Geeft het teken op de gekozen positie terug. Positie 1 is het eerste teken en spaties tellen mee. Bij een positie buiten de tekst is de uitkomst leeg. Het blok verwijdert het teken niet uit de oorspronkelijke tekst.
lengte van [tekst]
Geeft de lengte van de tekst terug; spaties tellen mee. Het blok telt geen woorden. De lengte van een lijst is een apart waardeblok bij Variabelen.
[tekst] bevat [gezochte tekst]?
Controleert of de tweede tekst ergens binnen de eerste voorkomt. Hoofdletters en kleine letters worden niet onderscheiden. Het zoekt geen bestand of sprite op en verandert de tekst niet.
[getal] modulo [deler]
Geeft de rest volgens modulo terug. Bij een positieve deler ligt de uitkomst vanaf 0 tot kleiner dan de deler; 17 modulo 5 geeft 2. Het blok gebruikt geen percentage en verwacht geen deler van 0.
afgerond [getal]
Rondt af naar het dichtstbijzijnde hele getal. Bij precies een halve stap wordt de hogere hele waarde gekozen, bijvoorbeeld 2,5 naar 3 en -2,5 naar -2. Het blok bewaart de afgeronde uitkomst niet vanzelf in een variabele.
[berekening] van [getal]
Voert de gekozen berekening uit op het getal. Het menu bevat absoluut, beneden, boven, wortel, sin, cos, tan, arcsin, arccos, arctan, ln, log, e ^ en 10 ^. De betekenis en eenheden van deze keuzes staan hieronder.

Keuzes bij berekening van een getal
absoluut
Geeft de afstand tot 0: een negatieve waarde wordt positief en een positieve waarde blijft gelijk.
beneden en boven
Beneden rondt naar het lagere hele getal; boven naar het hogere hele getal. Bij -2,4 geeft beneden -3 en boven -2. Dit verschilt van afgerond, dat het dichtstbijzijnde hele getal kiest.
wortel
Geeft de vierkantswortel. Voor een gewone reele uitkomst moet het getal 0 of positief zijn.
sin, cos en tan
Berekenen sinus, cosinus en tangens. De ingevoerde hoek is in graden, niet in radialen.
arcsin, arccos en arctan
Geven de bijbehorende hoek in graden terug. Voor arcsin en arccos moet de invoer tussen -1 en 1 liggen om een gewone reele hoek te krijgen.
ln en log
ln is de natuurlijke logaritme en log de logaritme met grondtal 10. Voor een gewone eindige uitkomst moet de invoer positief zijn.
e ^ en 10 ^
Berekenen e of 10 tot de ingevoerde macht. De invoer is de exponent, niet het grondtal.
Als een vergelijking of berekening onverwacht uitvalt
Controleer de volgorde van de velden, het soort waarde en het gekozen menu. = vergelijkt waarden en stelt niets in. Samenvoegen rekent niet op en voegt geen spatie toe. Tekstvergelijkingen en bevat maken geen onderscheid tussen hoofdletters en kleine letters. Controleer bij onbruikbare rekenuitkomsten ook deling door 0 of een invoer buiten het bereik van de gekozen berekening.